Sportviszone
![]()

Herkenning:
De kleine bek is eindstandig (1). De rand van de anaalvin
is hol ingesneden (2). Op de zijlijn liggen 56-61 schubben
(3).
Verspreiding Algemeen:
Vooral in het IJsselmeer en aangrenzende
wateren, in de Biesbosch en het Haringvliet en elders in de grote rivieren.
Kan door uitzetting ook voorkomen in afgesloten wateren.
Voedsel:
In hoofdzaak insecten en kleine kreeftachtigen; soms
ook kleine witvis.
Bescherming:
Opgenomen in de Visserijwet. Rode-lijst soort.
Gesloten tijd:
van 1 april tot en met 31 mei.
De winde is een stroomminnende vis die vaak met de kopvoorn (beide ‘meun’ genoemd)
wordt verward.
In de referentieperiode was de winde zeer talrijk in de Rijn en zijn
aftakkingen. Bronnen uit de jaren zeventig maken aannemelijk dat de winde
met een factor 30 tot 100 in aantal afnam in de grote rivieren. Een dieptepunt
werd halverwege de jaren zeventig bereikt. Daarna neemt de vangfrequentie
(met kuilnet) in de grote rivieren weer geleidelijk toe.
De winde komt nog wijd verbreid voor, vooral in de grote rivieren, kleine
rivieren zoals de Overijsselse Vecht en de Grensmaas, het IJsselmeer
en andere meren. In de Maas, de Oude IJssel en de Overijsselse Vecht
zijn zichzelf instandhoudende populaties. In totaal zijn er 567 uurhokken
met waarnemingen. Uit monitoringsonderzoek van het RIVO in de benedenrivieren
(met fuiken) blijkt geen toeneming van de vangsten in de laatste tien
jaar.
In de referentieperiode was de winde zeer talrijk in de Rijn en zijn
aftakkingen. Bronnen uit de jaren zeventig maken aannemelijk dat de winde
met een factor 30 tot 100 in aantal afnam in de grote rivieren. Een dieptepunt
werd halverwege de jaren zeventig bereikt. Daarna neemt de vangfrequentie
(met kuilnet) in de grote rivieren weer geleidelijk toe.
KNELPUNTEN:
De winde – zoals zo veel andere stroomminnende vissoorten – ontbeert
paaigebieden met een schone bodem van zand of grind en variatie in dieptes.
De winde heeft optrekmogelijkheden nodig, omdat de vis bovenstrooms van zijn
foerageergebied paait. De winde is ook relatief gevoelig voor sommige organische
microverontreinigingen.
MAATREGELEN:
Waterzuivering en waterbodemsanering en het verbeteren van de optrekmogelijkheden
in de grote en kleine rivieren en de grotere beken. Binnen een beleid gericht
tegen verdroging, past het toegankelijk maken van watergangen die uitmonden op
kleine rivieren en grotere beken.
Winde-Leuciscus idus

![]()
