Sportviszone
![]()

Beschrijving:
Rugvin met 17 tot 21 vinstralen, anaalvin met 14 tot 20; 51 tot 60 schubben
van kop tot staartvin. Rug donkerblauw, flanken zilverkleurig.
Haringen kwamen in verschillende populaties in de Noordzee voor, die of in
het voorjaar of in het najaar paaiden. De Doggerbank-haring is door visserijdruk
verdwenen en vervangen door een westelijke haringpopulatie. Er zijn onder andere
ook Ijslandse en Noorse populaties die weer andere paaigebieden hebben. Elk
jaar wordt door de Europese landen vastgesteld hoeveel haring er door elk lang
mag gevangen worden (vangstquota) om overbevissing te voorkomen.
Haringen paaien op grindbedden en op bodems met wier, waar stroming voorkomt.
Toenemende grindwinning en overbevissing bedreigen de haringbestanden in de
Noordzee.
De soorten van deze in vrijwel alle zeeën voorkomende familie van de Clupeidae
zijn economisch zeer belangrijk. Ze zijn zilverkleurig en hebben vaak aan het
voorste gedeelte van de buikrand stevige,
scherpe schubben, die een kiel vormen. De vaak grote schubben kunnen gemakkelijk
los raken, hetgeen de vissen kwetsbaar maakt voor infecties. Van de ongeveer
180 soorten van deze familie komen er vijf langs onze kust voor. Ze zwemmen
rond met open bek en zeven plankton uit het zeewater met de aan hun kieuwbogen
bevestigde aanhangels.
Communicatie:
Het lijkt erop dat haringen met elkaar communiceren. Ze doen dit door 'scheten'
te laten. Met name in het donker wanneer ze elkaar niet kunnen zien is dit knetterende
geluid te horen. Er is nog veel onduidelijk over het hoe en waarom van deze winderigheid.
Voedsel:
Haringen leven van planktondiertjes en vislarven die ze uit het water zeven.
Op de kieuwbogen zitten speciale aanhangsels die de hoeveelheid diertjes die
ze via hun kieuwen uit het water kunnen filteren verhogen. Grote haringen eten
ook wel kreeftjes en visjes.
Zelf worden haringen gegeten door allerlei vogels, vissen, zeezoogdieren en natuurlijk
door ons.
Voortplanting:
In de Noordzee leven drie populaties van haringen die op verschillende momenten
paaien. Buiten het paaiseizoen leven ze door elkaar, maar tijdens deze periode
verzamelt elke populatie zich op zijn eigen paaigronden. De Buchan-Shetland haringen
paaien in augustus en september voor de Schotse en Shetlandse kusten. De Doggersbank
haringen doen dit in het centrale deel van de Noordzee van augustus tot oktober.
De Southern Bight of Downs haringen paaien tenslotte in het Engelse kanaal van
november tot januari.
Op de paaigronden schieten de vrouwtjes van de hele school tegelijk kuit en worden
de eitjes bevrucht door de mannetjes. De met slijm bedekte eitjes zinken vervolgens
naar de bodem en hechten zich vast. Afhankelijk van de temperatuur, komen de
larven, 0,5 cm groot, na 8 tot 40 dagen uit de eitjes. De larven laten zich met
de zeestromingen meevoeren naar hun 'kinderkamer'. Gebieden in de Noordzee, voornamelijk
aan de oostkusten van de Noordzee en in het Skagerrak-Kattegat-gebied, waar het
niet te koud is en waar voldoende te eten is.
Jonge haringen (ook wel bliek genoemd) blijven de eerste 2 jaar in ondiep water.
Daarna zwemmen ze naar diepere gedeelten van de zee. Vanaf hun 3de-5de jaar zijn
haringen volwassen en paaien ze elk jaar. De meeste haringen worden niet ouder
dan een jaar of 8, dus veel tijd om voor nageslacht te zorgen hebben ze niet.
Lengte:
54 cm, meestal niet langer dan 40 cm.
Verspreiding:
Noordelijk halfrond, Noordzee en Oostzee. Langs onze kust algemeen.
Clupea harengus
![]()
