Het weer





Info

Designed by Cas Hille 2005

Sporviszone


Vissen kunnen een kortdurend laag zuurstofgehalte van het water doorgaans goed opvangen,
onder meer door sterkere kieuwbewegingen te maken. Sommige karperachtigen nemen dan soms zuurstof op door water aan het oppervlak of direct lucht te happen. Er zijn vissoorten die zuurstof kunnen opnemen via het spijsverteringskanaal of via de huid (bijvoorbeeld de grote modderkruiper ).
grote modderkruiper.
Een klein aantal soorten, waaronder de kroeskarper, kan indien nodig na een periode van gewenning bovendien overschakelen op zuurstofloze stofwisseling.


Zoals bekend leven de vissen in het water en kunnen ze de zuurstof niet rechtstreeks uit de lucht inademen, zoals de op het land levende dieren doen. Daarom verbruiken zij de zuurstof, dat zich in het water bevind welke ze winnen met behulp van hun kieuwen. Het is voldoende een vis in een aquarium te bekijken om te zien dat hij onophoudend de mond opent en sluit, net als iemand die voortdurend drinkt. Dat is zijn manier van ademhalen. Telkens wanneer hij de mond opent, vult hij deze met water en sluit de kieuwdeksels gelijk hermetisch af. Terwijl de mond gevuld wordt kunnen de wangen zich uitzetten. Op dat ogenblik dat de mond zich sluit, worden de kieuwdeksels geopend en wordt het water daarlangs weer uitgestoten.

Een vis in rust absorbeert het water langzaam. Van het ogenblik af dat hij zwemt of in een staat van opwinding verkeert gaat zijn mond veel sneller open en dicht. Hij ademt dan in een gespannen ritme, om de eenvoudige reden dat hij veel sneller zuurstof verbrandt. Elke slok water stroomt langs de kieuwen. Deze vertonen een helrode kleur en bestaan uit vezels met fijne wanden, waardoorheen bloedvaten lopen. Hier voltrekt zich het proces van de ademhaling: het koolzuur, dat als afvalstof door het bloed aangevoerd wordt, wordt uitgestoten en door het water verwijderd op het ogenblik dat het uit de kieuwen stroomt. Tegelijkertijd wordt de zuurstof uit het water door het bloed opgenomen en naar de verschillende cellen in het lichaam gebracht.


DE LEEFOMGEVING VAN VISSEN bestaat niet alleen uit de vloeibare component water. De meeste vissoorten onderhouden in hun verschillende levensstadia min of meer contact met de diverse harde materialen in dat water. Dit materiaal is in ruime zin aan te duiden als substraat. De substraat vormt de bekleding van het water.


Substraat omvat niet alleen het bodemmateriaal (stenen, kiezel, grind, zand, klei of modder), maar ook de begroeiing van het water, afgestorven resten van planten (en dieren) en takken die van de oever af in het water zijn gevallen. De aanwezigheid, de vorm en de verdeling van het substraat bepalen in belangrijke mate de variatie aan structuur van het water. Tussen en op de diverse substraat- vormen verbergen volwassen vissen hun eieren. In opeenvolgende levensfasen vinden ze er een schuilplaats en zoeken er hun voedsel. Veel soorten zijn uiterlijk aangepast aan de door hen meest bezochte ondergrond. Verder draagt het substraat zelf bij aan de samenstelling van het water en het voedselaanbod en kan zo indirect de visstand beïnvloeden.

Zeelt tussen waterplanten

Terug Verder

Omhoog