Ecologie van zoetwatervissen.

De ecologie van zoetwatervissen houdt zich bezig met de relatie
tussen de vis en zijn levende omgeving (met factoren als
voedsel, soortgenoten, concurrenten en roofdieren) en zijn
niet-levende omgeving (met factoren als stroming, diepte,
bodemsoort, helderheid, zuurstofgehalte, zoutgehalte). Kennis
van de ecologie van zoetwatervissen leidt tot meer begrip van
de factoren die de samenstelling van de visstand in een water
bepalen.

Leefvoorwaarden voor vissen.

De leefomgeving van een vis moet tenminste aan een aantal voorwaarden voldoen.
Naast een voldoende waterkwaliteit om alle lichaamsfuncties goed te laten werken, heeft een vis voor het voortbestaan overwegend en in voldoende mate nodig:
1. voedsel (voor zijn conditie, zijn groei en de voortplanting)
2. schuilgelegenheid (tegen roofdieren en extreme
milieuomstandigheden)
3. gelegenheid tot voortplanting (in de vorm van paaigebied
en partners).

DE LEVENSCYCLUS VAN
EEN ZOETWATERVIS.


Een vis begint zijn leven als eitje, klevend aan waterplanten of
verborgen tussen
bodemmateriaal. Na
enkele dagen tot
weken komt de vis als embryo uit het ei.
Daarna volgt een
periode, waarin het
embryo de inhoud van de dooierzak als bron voor groei en energie gebruikt. Het embryo wordt larve wanneer het over- schakelt op extern voedsel en vrij
gaat zwemmen. Als het skelet en alle organen,zintuigenen vinnen zijn aangelegd,

 

spreken we niet meer van een larve, maar van een juveniel.
Een vis is in zijn eerste levensjaar (de periode van ei tot juveniel) het meest
kwetsbaar en afhankelijk van een goede leefomgeving.
Als de vis geslachtsrijp wordt, is hij volwassen of adult. Met het afzetten en het
bevruchten van eieren is de levenscyclus van de vis weer gesloten.


Baarseieren afgezet aan een rietstengel.

Vis en Zuurstof.

ZONDER ZUURSTOF GEEN VISSENLEVEN.
Vissen hebben, net als landdieren, voldoende zuurstof nodig. De
hoeveelheid (opgeloste) zuurstof is in water echter steeds veel lager dan in de lucht.
Daarom hebben vissen een efficiënt en effectief ademhalingsapparaat, de kieuwen.
Waterplanten en algen zijn in stilstaand en langzaamstromend water, onder invloed van het
zonlicht, de grootste leveranciers van zuurstof in het water (fotosynthese).
In snelstromend water leveren de sterke stroming
en turbulentie (beluchting) de grootste bijdrage.

Vissen met een laag zuurstoggehalte.

Vissen kunnen een kortdurend laag zuurstofgehalte van het
water doorgaans goed opvangen, onder meer door sterkere
kieuwbewegingen te maken. Sommige karperachtigen nemen
dan soms zuurstof op door water aan het oppervlak of direct
lucht te happen. Er zijn vissoorten die zuurstof kunnen opnemen
via het spijsverteringskanaal of via de huid (bijvoorbeeld
de grote modderkruiper ).


grote modderkruiper.

Een klein aantal soorten, waaronder
de kroeskarper, kan indien nodig na een periode van gewenning
bovendien overschakelen op zuurstofloze stofwisseling.


 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

Hoe ademen vissen ?

 

Zoals bekend leven de vissen in het water en kunnen ze de zuurstof niet rechtstreeks uit de lucht inademen, zoals de op het land levende dieren doen.
Daarom verbruiken zij de zuurstof, dat zich in het water bevind welke ze winnen met behulp van hun kieuwen.
Het is voldoende een vis in een aquarium te bekijken om te zien dat hij onophoudend de mond opent en sluit, net als iemand die voortdurend drinkt.
Dat is zijn manier van ademhalen.
Telkens wanneer hij de mond opent, vult hij deze met water en sluit de kieuwdeksels gelijk hermetisch af.
Terwijl de mond gevuld wordt kunnen de wangen zich uitzetten. Op dat ogenblik dat de mond zich sluit, worden de kieuwdeksels geopend en wordt het water daarlangs weer uitgestoten.

Een vis in rust absorbeert het water langzaam. Van het ogenblik af dat hij zwemt of in een staat van opwinding verkeert gaat zijn mond veel sneller open en dicht.
Hij ademt dan in een gespannen ritme, om de eenvoudige reden dat hij veel sneller zuurstof verbrandt.
Elke slok water stroomt langs de kieuwen. Deze vertonen een helrode kleur en bestaan uit vezels met fijne wanden, waardoorheen bloedvaten lopen.
Hier voltrekt zich het proces van de ademhaling: het koolzuur, dat als afvalstof door het bloed aangevoerd wordt, wordt uitgestoten en door het water verwijderd op het ogenblik dat het uit de kieuwen stroomt.
Tegelijkertijd wordt de zuurstof uit het water door het bloed opgenomen en naar de verschillende cellen in het lichaam gebracht.

Substraat: de “bekleding” van het water.

DE LEEFOMGEVING VAN VISSEN bestaat niet alleen uit de vloeibare component water. De meeste vissoorten
onderhouden in hun verschillende levensstadia min of meer contact met de diverse “harde” materialen in dat
water. Dit materiaal is in ruime zin aan te duiden als substraat. Het substraat vormt de “bekleding” van het
water.

Wat is substraat?

Substraat omvat niet alleen het bodemmateriaal (stenen, kiezel,
grind, zand, klei of modder), maar ook de begroeiing van
het water, afgestorven resten van planten (en dieren) en takken
die van de oever af in het water zijn gevallen. De aanwezigheid,
de vorm en de verdeling van het substraat bepalen in belangrijke mate de variatie aan structuur van het water.
Tussen en op de diverse substraat- vormen verbergen volwassen
vissen hun eieren. In opeenvolgende levensfasen vinden ze er een schuilplaats en zoeken er hun voedsel. Veel soorten zijn uiterlijk aangepast aan de door hen meest bezochte ondergrond.
Verder draagt het substraat zelf bij aan de samenstelling van het water en het voedselaanbod en kan zo indirect de visstand
beïnvloeden.


Zeelt tussen waterplanten.


Bodemsubstraat.

Veel vissoorten van met name stromende wateren zijn voor
hun voortplanting sterk afhankelijk van het bodemsubstraat.
Zo worden de eieren van de zalm, de beekforel, de beekprik en veel andere stromend-watervissen gedeponeerd tussen grind.
In de ruimtes tussen grind en kiezels kunnen de prille, kwetsbare larven zich schuil houden. Een klein aantal Nederlandse


snoeken schuilen tussen waterplanten.

 

 

 

 

zoetwatervissen legt zijn eieren - soms in een nest - op en in schoon zand. Zelden gebeurt dat in de modder, omdat daar
vaak zuurstofarme omstandigheden heersen.
Een grove, steenachtige bodem in snelstromende wateren biedt schuilgelegenheid aan kleine vissen zoals bermpje, riviergrondel en rivierdonderpad. Deze soorten kunnen zich daar alleen in de zwakkere stroom achter stenen handhaven.
Vissoorten verschillen veelal ook in hun voorkeur voor de ondergrond waaruit ze voedselorganismen halen. Zo kan de
brasem met zijn fijnmazige kieuwzeef muggenlarven uit modderige bodems halen. In bodems met veel grove plantenresten
(veen) raakt de kieuwzeef gauw verstopt. Hier kan de kolblei
met zijn grovere kieuwzeef beter mee overweg.

Takken, boomwortels en andere structuren.

Vissen gebruiken – afhankelijk van de vissoort – allerlei houtachtige structuren in het water als schuilplaats tegen bijvoorbeeld roofvissen en visetende vogels, of als uitvalsbasis voor de
jacht.


Winde verscholen tussen boomstammen .

 

Op en tussen het materiaal zelf zijn volop voedseldiertjes zoals water- pissebedden, vlokreeften en driehoeksmosseltjes te vinden. Op de fijne takken en wortels kunnen baarzen,
blankvoorns en andere soorten hun kuit afzetten.


Blankvoorns tussen takken.

 

 

 

De vis en de mens.

De menselijke factor.

De invloed van de mens op natuurlijke wateren in Nederland
is enorm groot. De samenstelling van de visstand is dan ook voor een belangrijk deel een afspiegeling van hoe wij met het water omgaan. Het gebruik van land en water heeft in de loop der eeuwen tal van leefmilieus rigoureus veranderd.
Door de sterk gereguleerde waterhuishouding, kanalisatie en
de bouw van dammen is veel natuurlijke variatie in beken en
rivieren verdwenen en zijn leefgebieden versnipperd geraakt.
Dit heeft tot grote veranderingen in de visfauna geleid. Op de
door mens omgevormde wateren hebben allerlei activiteiten
zoals industrie, verstedelijking, zand- en grindwinning,

 

 

 

 

 

waterwinning,
landbouw , recreatie en visserij nog altijd een zeer
grote invloed.


Natuur- of cultuurwaarden?


Daarnaast zijn er tal van kunstmatige wateren bijgekomen.
Het overgrote deel van de Nederlandse binnenwateren is door
de mens in de loop der eeuwen aangelegd! Deze wateren hebben
een geheel eigen waarde voor de visstand. Het is de vraag
of je in geval van bijvoorbeeld (gegraven) heldere, plantenrijke
boerensloten, van natuur- of cultuur(historische) waarden
moet spreken.

 

 

 

 

 

Met dank aan de OVB
bron:

DE OVB ONDERSTEUNT als kennis- en informatiecentrum alle partners in het visstandbeheer.
De OVB doet dit door het ontwikkelen, verzamelen en beschikbaar stellen van kennis op het gebied van:
beleid en wetgeving over visstand, viswater en visserij
ecologie van vissen
vismigratie
beheer en inrichting van viswateren
beoordelingsmethoden voor viswater en visstand
passende benutting van de visstand
welzijn van vis

Omhoog

All content copyright - 2003-2004 - SportvisZone.nl